Omslag.Jacobs CustomZeven jaar geleden presenteerden we op een bijeenkomst in Rotterdam de vertaling van ‘Death and Life of great American Cities’. ‘Dood en leven van grote Amerikaanse steden’ is een aanval op de vakwereld van stedenbouw en stadsbestuur. In de essaybundel ‘De levende stad’, toen ook gepresenteerd, onderzochten we de actuele betekenis van Jane Jacobs. De vraag, ook in deze column, is of de vakwereld iets geleerd heeft van Jacobs en haar eerste en meest spraakmakende boek uit 1961.

Mijn buurt
Bij die introductie vertelde ik over mijn eigen gedrag in mijn eigen buurt. Zo had en heb ik de gewoonte om elke morgen, liefst op pantoffels, mijn ochtendkrant te kopen bij Linda. Linda franchised in de Cigo-formule.  Niet alleen kranten, ook sigaretten, tijdschriften, loterijen, ov-oplaadpunt en snoep zitten in haar assortiment en daarbij is ze ook postagentschap en dus kom ik ook ’s middags vaak nog een keer met mijn pakjes. Ze zit diagonaal aan de andere kant van mijn blok. Linda zit op een kruispunt van de Zijlstraat, de centrale stadsstraat in mijn Haarlemse wijk. Daar zit ook de groenteman, de bakker en voor mij als klusser ook heel belangrijk de HUBO. Een stadsstraat met op nauwelijks honderd meter een diversiteit aan woningen, winkels en andere bedrijfsruimten. We hebben korte blokken en die kan je belopen met verschillende routes. Ik wil maar zeggen, mijn buurtje is behoorlijk Jane Jacobs. Alleen de stoepen, waar zij zoveel waarde aan hechtte, zijn gesneuveld, daar staan aan weerszijden auto’s op.



Pantoffelactieradius
Toen ik bezig was met de redactie van de vertaling en de samenstelling van die essaybundel projecteerde ik de kennis die ik kreeg op mijn eigen gedrag in de wijk. Door het boek begreep ik mijn wijk en mijn eigen gedrag beter. Je kan zeggen dat het gemakzucht is als je op pantoffels de krant  gaat halen om de hoek. Als je Jacobs hebt gelezen, kan je ook zeggen dat ik me kennelijk voldoende thuis voel in mijn buurt; mij vertrouwd voel met mijn buren. Inmiddels zijn mijn partner en ik zelf ook een soort steunpunt voor de buurt. We werken van huis uit en zijn dus vaak thuis. We verzamelen de pakjes die de chauffeurs overdag in de straat niet kwijt kunnen en zien dat de buurvrouw links nieuwe schoenen heeft besteld bij Zalando en dat de buren rechts vandaag een maaltijd bereiden van Hellofresh. We hebben ook hun sleutels. Handig als de elfjarige dochter die voor de zoveelste keer is vergeten. Ik vind het allemaal prima, zolang ik maar niet overal op verjaarsvisite hoef. Het zijn de dingen die passen in het beeld dat Jacobs schetst van een geslaagde buurt, ook al had ze nog geen weet van Hellofresh. Maar het laat ook zien dat we onderscheid moeten maken tussen stad, wijk en buurt. In de aankondiging van vanavond gaat het om de buurt en ik denk dat heel veel Jacobs-ideeën bij die schaal horen. Natuurlijk is een wijk een verzameling buurten en een stad een verzameling wijken. Maar hoewel ik zelf ook het begrip wijk voortdurend gebruik, heb ik het er toch moeilijk mee. Het is een uitvinding van de overheid, van corporaties, van professionals en van de weeromstuit ook van actiegroepen die zich nu eenmaal verhouden tot die institutionele wereld. Ook een app als Nextdoor houdt zich daar aan. Maar de wijk verzamelt buurten en bewoners die niet altijd zoveel met elkaar hebben en het legitimeert beleid dat te weinig oog heeft voor het specifieke karakter van elk buurtje. Een tragisch misverstand wat dat betreft is de uitvinding geweest van de Vogelaarwijken, met bijbehorend generiek en stigmatiserend beleid.
Mijn partner is ook een beetje van de wijk; dat komt omdat ze lid is van de buurtcoöperatie (die de hele wijk bestrijkt) en mede-initiatiefnemer is van een maandelijks wijkcafé. Voor mij is de wijk te groot, wat mij betreft draait het om de buurt die een verlengstuk is van mijn huiskamer en die is zo groot als mijn pantoffelactieradius.

Kijken
Sinds die beide Jacobs-boeken verschenen zijn heb ik nog meer projecten gedaan en boeken uitgebracht. Heel vaak gaan die over de stad, de buurt en het publiek domein. En heel vaak heb ik al of niet bewust die activiteiten getoetst aan het gedachtegoed van Jane Jacobs.
Maar gaandeweg is mijn bewondering voor haar verschoven. Al haar instrumenten in ‘Dood en leven’ zijn relevant; haar vier principes van diversiteit, haar brede stoepen. Dat zijn ook de zaken die de meeste mensen zich van haar herinneren. Prima, maar voor mij zijn er twee andere dingen steeds belangrijker geworden.
Dat is in de eerste plaats haar manier van kijken. Ik heb van haar geleerd om naar buurten en wijken te kijken, maar het heeft even geduurd voordat ik daardoor meer zag dan straten en gebouwen en oog kreeg voor de bewoners en het functioneren van de stad. Jacobs geeft daar in haar boek meer dan genoeg houvast voor. Zij heeft het bijvoorbeeld over publieke vertrouwdheid, ogen op straat, over zelfvernietiging van diversiteit al voor het woord gentrification bestond en over de vloek van teveel investeringsgeld waarmee je bewoners uitschakelt.

Uitgaan van het bijzondere
En dan is er het tweede punt. Dat is voor de volhouders, want het zit verborgen in het laatste hoofdstuk, waarvan de titel is ‘het soort probleem dat een stad is’, Zij zegt daarin dat we moeten redeneren van het bijzondere naar het algemene, in plaats van andersom. Dat klinkt cryptisch, maar in mijn actuele toepassing komt het erop neer dat we af moeten van generiek beleid dat op stadhuizen en op kantoren van corporaties en welzijnsorganisaties wordt uitgedacht en dat vervolgens wordt uitgerold in de wijken. Natuurlijk, ik generaliseer, maar stedenbouwers, welzijnswerkers, beleidsambtenaren moeten nog veel meer andersom werken. Verdiep je in het bijzondere, de situatie van bewoners, die hier vaak net weer anders is dan op een andere plek en die ook net weer anders is dan je van achter je bureau hebt bedacht. Het is een pleidooi voor het kleine, voor het unieke en daaruit voorvloeiend voor het zelfregenererend vermogen van een buurt, een term die Jacobs al gebruikte. Sluit daarop aan en help bewoners in hun vermogen om hun eigen leefomgeving vorm te geven en op orde te houden. Voor de ene bewoner is dat alleen hun eigen straat, voor de ander is het de hele stad.

Ik ben ook gevoelig voor de verleiding van grootse plannen. Het heeft daarom wat tijd gekost om mij de inzichten van Jacobs eigen te maken. Terwijl zij al in het eerste hoofdstuk uitlegt hoe ze in een wijk in Boston op bezoek gaat en ziet dat bewoners in tegenstelling tot de berichten die ze had gekregen, met weinig geld en veel ruildiensten hun eigen wijk prima op orde hebben. Daarna belt ze een bevriende planoloog. ‘Wat heb je daar in godsnaam te zoeken’, is zijn reactie. ‘Dat is de ergste achterbuurt van de stad. Die wijk gaan we binnenkort slopen.’ ‘Ben je er wel eens geweest’, vraagt Jacobs. Dat is hij inderdaad en hij zegt ook nog tegen haar dat het er inderdaad helemaal niet zo slecht uitzag. ‘Maar toch, het is daar oud en er wonen teveel mensen op elkaar’. Het stadsbestuur stopt er geen geld meer in.
Mijn waardering voor Jacobs begon met de route in mijn eigen buurt. Met haar boek begon ik dingen te begrijpen en ik zag de functie van de instrumenten die zij benoemt. Maar dan lees je haar boek als een soort receptenboek, als een methodiek, die je overal op dezelfde wijze kan toepassen. Na verloop van tijd zie je dat het meer is dan een recept. Dat ze je leert kijken en proeven en dus ook leert koken zonder recept, gebruikmakend van wat je aantreft. In die keuken kunnen zowel bewoners als professionals de kok zijn.
Dat is de actuele betekenis van Jane Jacobs.

Dood en leven van grote Amerikaanse steden is in het Nederlands uitgegeven door Trancity. De publicatie is hier te bestellen.
Deze 'column' werd op 29 maart 2016 uitgesproken in 'Bij Jane in de buurt', een programma van Stadsleven.

Abonneer u nu op de nieuwsbrief over onze publicaties en programma’s